HOME

Vakinfo

Hoofdstuk 4: Logische schakelingen

Doelstellingen

- Kan uitleggen hoe de ALU werkt en welke onderdelen ze bevat.

- Kent het concept van REGISTERS, FLIP-FLOPS en de DATAPATH.

- Kan de werking van RAM-GEHEUGEN en een CACHE beschrijven.

- Kan toelichten hoe de STACK functioneert binnen een computerarchitectuur.

Algemeen schema

- Een moderne computer bestaat uit PROCESSOR, GEHEUGEN en I/O-COMPONENTEN.

- De processor bevat de ALU, het CONTROL UNIT en verschillende REGISTERS.

- Het geheugen bestaat uit RAM, CACHE en tijdelijke opslag zoals de STACK.

De Arithmetic and Logic Unit (ALU)

- Een ALU voert REKENKUNDIGE (optellen, aftrekken, …) en LOGISCHE operaties (AND, OR, NOT, …) uit.

Opbouw van de ALU

- De ALU ontvangt haar input uit REGISTERS en stuurt resultaten terug naar diezelfde registers.

- Bevat een OPERATIONEEL DEEL met logische poorten, een ADDER en circuits voor logische functies.

Volledige adder

- Een essentieël onderdeel van de ALU dat twee bits en een carry-bit kan optellen. Het resultaat bestaat uit een SOM en een CARRY-OUT.

Flags

- De ALU genereert STATUSVlaggen zoals ZERO, NEGATIVE, CARRY en OVERFLOW, gebruikt door het control-unit om beslissingen te nemen.

Gegevensopslag binnen de CPU

- De CPU maakt gebruik van REGISTERS om heel snel kleine hoeveelheden data op te slaan.

Flip-flops

- Een FLIP-FLOP is een schakeling die één bit kan opslaan. Het is de bouwsteen van registers.

Registers

- Een register bestaat uit meerdere flip-flops en vormt een kleine, snelle opslagplaats in de CPU.

- Veelgebruikte registers: ACCUMULATOR, PROGRAM COUNTER, INSTRUCTION REGISTER.

RAM-geheugen

- RAM is het hoofdgeheugen van de computer en wordt gebruikt om programma’s en data tijdelijk op te slaan.

- Typisch opgebouwd uit geheugencellen die elk een ADRES en een WAARDE hebben.

Random Access

- “Random access” betekent dat elke geheugenlocatie EVEN SNEL bereikbaar is, ongeacht welke locatie je aanspreekt.

Cachegeheugen

- Een CACHE is een veel snellere, kleinere geheugenlaag tussen de CPU en RAM.

- Opsplitsing in L1, L2 en L3 waarbij L1 het snelst is.

Cache hit vs miss

- Bij een CACHE HIT komt de gevraagde data uit de cache.

- Bij een CACHE MISS moet de data uit RAM worden gehaald, wat trager is.

Direct mapped cache

- Een eenvoudig cachesysteem waarbij elk geheugenadres precies aan ÉÉN cachelocatie gekoppeld is.

De stack

- De STACK is een geheugenstructuur die werkt volgens het LIFO-PRINCIPE (Last In, First Out).

Hardware stack

- Wordt beheerd door de CPU via de STACK POINTER die steeds naar de bovenkant van de stack wijst.

Call stack

- Wordt gebruikt om FUNCTIE-AANROEPEN te beheren. Tijdens een functiecall wordt het RETURNAADRES op de stack geplaatst.